Het leven van Niels was een fascinerende combinatie van twee werelden: de abstracte, theoretische wereld van de deeltjesfysica en de rauwe, fysieke uitdaging van het wielrennen. Hij was student Natuur- en Sterrenkunde en droomde van een rol in de volgende wetenschappelijke revolutie. Tegelijkertijd was hij een gepassioneerde wielrenner die zichzelf altijd tot het uiterste dreef. Wat hem zo bijzonder maakte, was zijn enorme discipline en 100% focus. Als Niels bij jou was, was hij er ook echt. Hij was niet op zijn telefoon, niet met andere dingen bezig. Hij had alle aandacht voor jou. Had de bestuurder die hem aanreed ook maar diezelfde aandacht voor hem gehad.
Niels is geboren in Polen. We woonden toen in Warschau, vanwege het werk van mijn man George. En het was een mooi moment om aan kinderen te beginnen. Al snel daarna kwamen onze dochter Anne en jongste zoon Stijn. Om goed voor hen te zorgen, besloot ik thuis te blijven tot ze allemaal naar school waren. Niels was een bijzonder kind. Op de middelbare school had hij het moeilijk. De lessen vond hij vaak maar stom. Niet omdat hij er geen zin in had, maar omdat hij structureel te weinig uitgedaagd werd. Hij was juist superintelligent. Nog voordat hij zijn draai op school helemaal gevonden had, viel hij ongelukkig met de fiets. Na dit ongeluk moest hij lang revalideren en was hij meer thuis dan op school. Het was geen makkelijke tijd voor Niels, maar met zijn ongekende discipline wist hij weer terug naar school en terug op zijn fiets te komen.
Daarna koos hij ook niet bepaald voor de makkelijkste route. Niels wilde per se de moeilijkste studie doen die er was. Hij ging naar de universiteit om Natuur- en Sterrenkunde te studeren. En met succes. Daar bloeide hij volledig op. Het was alsof hij met een schone lei begon. Hij vond eindelijk mensen die dachten zoals hij, voor wie moeilijke dingen leuk waren. Zijn sociale leven, waar wij als ouders weinig van zagen nadat hij eenmaal uit huis was, bleek enorm rijk te zijn. Pas na zijn dood hoorden we de verhalen van zijn vrienden. Verhalen over zijn studentikoze gedrag, zoals de supermarkt uitlopen met winkelwagentjes vol kratten bier, iets wat wij totaal niet met hem associeerden. Maar ook, en dat raakte me diep, vertelden meerdere mensen dat ze Niels als een van hun allerbeste vrienden beschouwden. Hij had blijkbaar een unieke klik met veel verschillende mensen.
“Niels was absoluut een mysterie, zelfs voor ons. Een puzzel die ik nu, via de verhalen van anderen, stukje bij beetje probeer te leggen.”
Hij was niet alleen een briljante student en een fanatieke sporter, maar ook de spil van zijn vriendengroep en bestuur. Hij was een enorme fan van Jamie Oliver en kon fantastisch koken. Als er bestuursvergaderingen waren, was het Niels die voor de hele groep kookte. Hij was bourgondisch. Een biertje lustte hij wel, maar voor een goed glas port kon je hem echt wakker maken. Lang bleven we ons afvragen hoe een jongen die op al die vlakken zo intens kon leven, dat allemaal in één dag wist te proppen. Uiteindelijk is onze conclusie dat hij dit alleen maar kon door zijn discipline en absolute focus. Dat wat hem ook zo ver bracht op de fiets.
Fietsen was zijn uitlaatklep, zijn passie. Hij was een talent. Samen met zijn fietsmaatjes maakte hij de meest extreme tochten, zoals een rondje Nederland van 400 kilometer, gewoon omdat het kon. Een van de dingen op zijn bucketlist was om de Marmotte te rijden, een loodzware toertocht over meerdere Alpenreuzen, en daar heel hoog te eindigen. En zo gezegd, zo gedaan. Hij had zich maandenlang voorbereid en deed een eerste keer mee. Hij eindigde niet zo hoog als hij wilde. Als hij kon. De renners om hem heen hadden allemaal iemand langs de kant staan, die hen bidons aangaven, terwijl hij elke keer moest stoppen, vullen en daardoor tijd verloor. Dus, we hadden hem beloofd: "De volgende keer gaan wij mee, dan zullen wij je bidons aangeven." Die volgende keer stond gepland voor augustus 2021. Twee weken na de dag dat hij werd aangereden.
“Zijn droom was om de wereld te begrijpen, maar ook om haar te bedwingen op de fiets.”
In de zomer van 2021 was hij naar de Ardennen met twee studiemaatjes, Viggo en Madelon. Viggo was benieuwd naar het wielrennen en Niels stond natuurlijk te popelen om hem mee te nemen in zijn mooie sport. Op donderdagmiddag stapten hij en Viggo op de fiets. Ze waren nog maar een paar kilometer van hun huisje toen het misging. Op een normale 90 km/u-weg, werden ze van achteren geschept. Viggo, die nog een beginnend fietser was, reed meer aan de zijkant. Die belandde in de berm en kwam er uiteindelijk goed vanaf. Niels fietste aan de binnenkant in het wiel van Viggo, half achter hem, zodat Viggo zelf het tempo kon bepalen en Niels niet te hard zou gaan voor hem. Hij heeft de volle laag gekregen…
Madelon belde mij. "Er is wat gebeurd, het lijkt wel heel ernstig. Ik denk dat jullie moeten komen." Mijn man en ik zijn direct in de auto gestapt, richting Dinant in België. Onderweg kregen we updates. De traumahelikopter was er. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht. Eenmaal aangekomen begon het wachten…
Tegen elf uur ‘s avonds kregen we een eerste update van de operatie. Hij had ernstig hoofdletsel en ze konden helaas nog steeds niet zeggen welke kant het uitging. Ze waren net klaar met de operatie aan zijn hoofd en zouden nu de verwondingen op volgorde van urgentie gaan verzorgen.
“Om 01.00 's nachts mochten we bij hem op de intensive care. Wat ik toen zag zal ik helaas nooit vergeten…”
Zijn hele gezicht was kapot. Later bleek dat alles aan zijn gezicht gebroken was. Toen ik hem zag, herkende ik hem niet. Hij zag er niet meer uit als een mens. Het was heel fijn dat we in dat ziekenhuis in België wel naast hem mochten zitten. We hebben de rest van die nacht bij hem gezeten. En hoewel ik me er heel schuldig over heb gevoeld, was het enige wat ik kon denken: ik hoop dat hij niet meer wakker wordt. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat dit ooit nog goed zou komen. De volgende ochtend, om elf uur, kregen we de boodschap: hij was hersendood. Dat was het dan.
“Voor iemand als Niels, die zo leefde in zijn hoofd, die zo briljant was, voelde dat etiket als het grootste onrecht.”
Toen kwam de vraag over orgaandonatie. Omdat het in België was, moesten wij beslissen. We zeiden ja, natuurlijk, want dat had hij zelf ook gewild. Zijn zus Anne moest nog terugkomen uit Turkije. We kregen de tijd, de machines bleven aan. Maar toen Anne net binnen was, kwam er paniek. Hij ging hard achteruit, we moesten nu afscheid nemen. We werden de kamer uitgestuurd. Een paar uur later kwamen ze terug met de mededeling dat geen van zijn organen nog geschikt was. Door de hoge dosis medicatie en de lage bloeddruk bleken zijn organen helaas niet meer bruikbaar. De enige optie die nog restte, was weefseldonatie. En dat hebben we ook gedaan.
Ik heb sindsdien altijd het gevoel gehad dat wij er niet bij waren toen hij echt stierf. Dat er alleen maar mensen in hem aan het snijden waren. De gedachte dat dit zijn einde was, doet me nog steeds verdriet. Het ging allemaal zo snel. Achteraf gezien zou ik denk ik toch een andere beslissing hebben genomen.
"Het was pas na deze verschrikkelijke paar dagen in het ziekenhuis, dat wij ons begonnen af te vragen: hoe had dit kunnen gebeuren?"
Op de maandag na het ongeluk nam de Belgische politie ons mee naar de plek van het ongeval. Op kantoor was de agent nog strak en formeel, sprekend in het Frans. Maar toen we langs de weg liepen, op de plek waar het leven van onze zoon was geëindigd, schakelde hij over op het Nederlands. Hij liet doorschemeren wat hij er persoonlijk van vond, dat er simpelweg iemand niet had opgelet. Hij vertelde dat de bestuurder minimaal 4 seconden de tijd had om iets te doen. Ik probeerde het nog te relativeren. "Vier seconden om te handelen, dat is toch zo voorbij?", zei ik in al mijn naïviteit. De agent keek me meewarig aan. "Nee mevrouw, u hoort mij niet goed. Vier hele seconden." Hij begon te tellen. Eén, twee, drie, vier. Later, in de rechtszaal, deed de officier van justitie hetzelfde en vertaalde het naar afstand: honderd meter! Minstens honderd meter de tijd om te remmen, om uit te wijken, om een leven te sparen. Honderd meter waarin niets werd gedaan. Die conclusie maakt je zo ontzettend boos. Dit had nooit hoeven gebeuren. Iemand had gewoon niet zitten opletten!
Daarom heb ik ook wel moeite met mensen die achter het stuur inbellen voor een vergadering. Vaak hoor je dan: "Als het druk wordt, let ik wel op." Maar zo werkt het niet. Je weet nooit wat er op je weg komt. Je kunt nog zo'n voorzichtige rijder zijn, maar het gaat er niet alleen om wat jij doet; het gaat er ook om wat een ander doet. Die vijf minuten die je wint door harder te rijden, dat ene appje dat je verstuurt, die vergadering die je per se wilt bijwonen, wat doet het er allemaal toe als het verschil leven of dood is?
“Een auto is een moordmachine. En als je er niet met 100% procent focus in rijdt, kun jij zomaar de volgende dader worden.”
In de periode erna volgde een juridische lijdensweg in een ander land. Je bent boos, natuurlijk ben je boos. Maar wat kun je met die boosheid? In de rechtbank krijg je als nabestaande één kans om iets te zeggen: het spreekrecht. Maar zelfs dat voelt als een valkuil. De rechtszaak was in het Frans, in Wallonië, wat al een barrière opwerpt. We kregen wel een tolk die in onze oren fluisterde, maar daardoor verstond ik noch het Frans, noch de vertaling. Ik sprak zelf wel in het Nederlands en de tolk vertaalde dat netjes, maar de bestuurder keek mij niet aan. Het was me totaal onduidelijk of hij überhaupt wel luisterde… Je weet ook niet hoe lang je mag spreken en je bent constant bang dat een rechter je afkapt omdat je te ver gaat. Dus zelfs op dat ene, cruciale moment houd je je in.
De officier van justitie eiste een jaar cel. De rechter gaf de 22-jarige dader uiteindelijk 6 weken taakstraf, met de motivering dat hij "nog jong was en zijn leven nog voor zich had." Ja? Dat had hij Niels toch ook ontnomen!? We hebben nooit de kans gehad om met de officier te praten over waarom hij niet in hoger beroep is gegaan.
Dat moment in de rechtbank was ook meteen de enige kans die we hebben gehad om onze gevoelens richting de dader te uiten. De dader zelf, een jongen van 22, bijna net zo oud als Niels, liet nooit iets van zich horen. Geen brief, geen woord, geen enkel teken van berouw. Niet van hem, en niet van zijn ouders.. Ik snap heel goed dat je je kind blijft steunen, ook al is hij fout geweest. Maar dat je het niet kunt opbrengen om te zeggen dat je het heel erg vindt wat er is gebeurd, dat kan ik nog steeds bijna niet verkroppen. Toen de rechter aan het einde van de zitting vroeg of hij nog wat tegen ons wilde zeggen, durfde hij zelfs het volgende te zeggen: “Ik ben ook slachtoffer, we zijn allemaal slachtoffer van de omstandigheden.” Daar schrok ik enorm van.
Uiteindelijk richtte mijn boosheid zich niet zozeer op die jongen, maar op zijn advocaat. Ik zou liever met hem een gesprek hebben dan met de dader zelf. De manier waarop hij in de rechtszaal probeerde zijn cliënt vrij te pleiten over de rug van mijn dode zoon, was ongepast. Het was dan wel in het Frans, maar zijn lichaamstaal zei genoeg.
“Hij suggereerde dat als je fietst, je nu eenmaal een risico neemt en weet dat dit soort dingen kunnen gebeuren.”
Het gebrek aan contact vanuit de dader werd afgedaan als een "cultureel verschil". Ik snap dat een advocaat zijn cliënt verdedigt, maar er zijn grenzen. Er zijn dingen die je niet hoeft te zeggen, woorden die de pijn van een ouder onnodig en respectloos vergroten, puur voor eigen gewin. Dat is wat ik hem zou willen zeggen.
Terwijl de dader zijn taakstraf van zes weken al lang en breed heeft voltooid, zijn wij, jaren na de dood van onze zoon, nog steeds verwikkeld in een gevecht. Niet met de dader, maar met een verzekeringsmaatschappij. De schadezaak, die een vorm van erkenning zou moeten bieden, is een kille, mensonterende strijd om geld geworden. We hebben te maken met een dossierbehandelaar die weigert ook maar iets te betalen en elke vorm van leed ter discussie stelt. De eerste brief die we ontvingen, zal ik nooit vergeten. Daarin stond dat we onverantwoordelijk waren geweest omdat onze begrafeniskosten te hoog waren. We hadden, zo schreven ze, kunnen weten dat zij moesten betalen en hadden het dus zuiniger aan moeten doen. Die toon gaat je verstand te boven.
Deze procedure doet misschien nog wel meer pijn dan de strafzaak zelf. Omdat Niels op kamers woonde, was de redenering dat het bedrag dat er volgens de wet kan worden uitgekeerd, flink omlaag kon. Alsof ons verdriet daarom minder is… En van al onze schade, zoals psychologische bijstand, studievertraging van de kinderen, aangepast werk voor mij wegens andere functie en minder uren, wordt het causale verband met de dood van Niels in twijfel getrokken. “Misschien zijn er wel andere oorzaken dat er studievertraging is, of dat ik minder werk, of dat we psychologische ondersteuning nodig hebben,” zeggen ze dan. Ze gaan heel erg ver. Je moet bewijzen dat het verdriet om je zoon echt is.
Je wordt weggezet als iemand die geld wil verdienen aan de dood van je kind, terwijl geld op dit moment de enige taal is die het systeem spreekt om de omvang van je leed uit te drukken. Het is een oneerlijk gevecht dat geen enkel doel dient, behalve het uitputten van nabestaanden. Het brengt een enorme stress met zich mee, ook binnen het gezin. De een wil doorvechten, de ander heeft er de kracht niet meer voor. En ondertussen is de dader alweer vrij.
“Je wordt weggezet als iemand die geld wil verdienen aan de dood van je kind.”
Gelukkig heb ik een manier gevonden om mijn pijn en verdriet om te zetten in iets moois, iets met betekenis. Na de dood van Niels ben ik begonnen met dichten. Het eerste gedicht kwam bij me naar boven op de rand van zijn bed, in het huis waar hij net was gaan wonen. Het werd een manier om te uiten wat er in me omging. Ik begon erbij te tekenen en deelde het op Instagram. Iedereen in mijn omgeving zei dat ik er wat mee moest doen en zo kwam in 2022 mijn eerste gedichtenbundel uit, op de geboortedag van Niels. En in 2023 de tweede en in 2024 de derde. Nu schrijf ik aan het levensverhaal van Niels en daarnaast ben ik verder gegaan met schilderen. Het is mijn manier om hem levend te houden, om zijn verhaal te vertellen. Om te laten zien dat hij meer was dan die jongen die op zo'n akelige manier aan zijn einde kwam. Niels had nog zoveel waardevols te bieden aan de wereld. En mijn missie is om alles wat ik nog over hem weet en nog te weten kom, zo goed mogelijk vast te leggen.
“Ik wil niet dat die gewelddadige dood het leven van Niels overschaduwt. Hij was zoveel meer dan dat.”
Als ik iets zou mogen meegeven aan andere nabestaanden, dan is het dit: laten we het verhaal van onze kinderen blijven vertellen, zodat zij herinnerd blijven en verkeersslachtoffers geen getal zijn maar een gezicht krijgen. Hopelijk geeft de samenleving zo eindelijk een keer de rekenschap van het enorme leed dat zich elk jaar weer voltrekt op de weg, omdat we kennelijk weinig geven om de veiligheid van anderen.
De wereld moet het nu doen zonder de gedisciplineerde Niels en zijn focus voor iedereen en alles om hem heen. Misschien is er alsnog een plek tussen de sterren voor hem. En is hij ergens toch nog onderdeel van de deeltjesfysica. Wie zal het zeggen. Hij zal in ieder geval altijd een deel blijven van ons. Zijn dierbaren.